04-01-11

Wat kunnen we leren van gedragseconomen en psychologen?

Een onhebbelijke trek van het marxistisch denken voor mensen die er niet mee vertrouwd zijn, is dat het vaak vertrekt vanuit een misschien terecht, maar daarom niet altijd even sympathiek overkomend (en dus overtuigend) superioriteitsgevoelen. Marxisme is meesterlijk in het bekritiseren van het kapitalisme, maar speelt met zeer slechte kaarten wat het alternatief betreft. De misdaden gepleegd in zijn naam moeten immers niet onderdoen voor die van fascistische dictaturen of politiestaten. Liberalen en conservatieven zullen uiteraard nooit het verband leggen tussen Hitler en kapitalisme, of tussen Pinochet en de vrije markt, maar spreken de woorden communisme en bloederige dictatuur meestal wel in één adem uit. Stalin, Mao, Pol Pot en andere bloeddorstige dictators pleegden hun misdaden nu eenmaal in de naam van Marx, Engels en Lenin, of we het nu leuk vinden of niet. Slachtoffers waren trouwens niet zelden trotskisten, anarchisten en sociaaldemocraten.  Laten we dan ook nooit vergeten dat de grootste criticasters van het stalinisme zich in het linkse kamp bevinden.

Karl Marx (1818-1883) geniet sinds de financiële meltdown van 2007 en de daaropvolgende Grote Recessie een verdiende revival. Onlangs publiceerde EPO een schitterende nieuwe uitgave in het Nederlands van het Communistisch Manifest van Karl Marx en Friedrich Engels (1820-1895). Op de goudachtige cover prijkt een lief spookje. Deze klassieker van het marxisme verscheen ruim dertig jaar voor Het Kapitaal, het Opus Magnum van Marx. Dat laatste werk, eveneens recent heruitgegeven in het Nederlands (in een helaas triestere presentatie van Boom), is een kritiek op de ideeën van de oervaders van het liberalisme, Adam Smith (1723-1790) en David Ricardo (1772-1823). Tegelijk zijn veel van de economische ideeën van Marx ook gebaseerd op het denkwerk van zijn liberale voorgangers. Zo is de arbeidswaardeleer van Marx vrijwel volledig overgenomen van Ricardo.

Het economisch denken is in de afgelopen 150 jaar natuurlijk niet blijven stilstaan, ook al blijven neoliberalen (ten onrechte) verwijzen naar de onzichtbare hand van Adam Smith om hun ongebreidelde geloof in de vrije markt kracht bij te zetten. Het is echter opvallend dat moderne marxistische denkers zoals David Harvey, Andrew Kliman, Boris Kagarlitsky of Slavoj Žižek zelden of nooit verwijzen naar hedendaagse economen zoals Amartya Sen (1933) die in 1998 de Nobelprijs Economie wegkaapte voor zijn welvaartstheorie, of Daniel Kahneman (1944), een gedragspsycholoog die dezelfde eer in 2002 te beurt viel. Het lijkt wel alsof er maar twee economische scholen bestaan: die van het monetarisme (Friedman) en die van de deficit spending (Keynes). Nochtans zijn de ideeën van de gedragseconomie (Kahneman) of de notie van het Bruto Nationaal Geluk (Sen) zeker het bespreken waard. Niet zozeer om ze door de mangel van de marxistische kritiek te halen, maar juist omdat ze belangrijke elementen bevatten die de ideeën van het socialisme kunnen verrijken, ook al valt het te betwijfelen of dit in de bedoeling lag van de betrokkenen. 

Zo is er in de afgelopen jaren heel wat onderzoek geweest naar ‘geluk’, ‘welzijn’ en ‘motivatie’. Deze begrippen zijn belangrijk in de bedrijfswereld want ze zijn bepalend voor de productiviteit en loyaliteit van werknemers, zeker in tijden van ‘job hopping’. Wetenschappers die op dat terrein onderzoek verrichten, betreuren vaak dat de bedrijfswereld of ‘de economie’ doorgaans geen of weinig aandacht schenken aan hun bevindingen. In plaats van het systeem als dusdanig in vraag te stellen, pleiten ze niet alleen voor meer aandacht voor psychologisch inzicht, maar ook voor een terugkeer van ‘moraliteit’ of ‘wijsheid’ in de bedrijfswereld. Deze gedachte was ook te horen in de inauguratietoespraak van president Obama, die een lans brak voor meer deugdzaamheid: “We moeten ons niet alleen afvragen of het winstgevend is, maar ook of het juist is”. Niet het kapitalisme is verantwoordelijk voor de crisis, maar de economische actoren die zich hebben bezondigd aan ‘uitwasemingen’, ‘kortetermijndenken’ of erger nog, aan ‘crimineel gedrag’. Af en toe gebeurt het dat een ‘fat cat’ een proces aan zijn broek krijgt of zelfs een periode moet brommen (Lernaut en Hauspie), maar vaker is de zaak verjaard vooraleer het tot een uitspraak komt (KB Lux). In de VS worden daders zelfs beloond voor hun graaicultuur (Goldman & Sachs). In ‘minder beschaafde’ kapitalistische landen zoals Rusland zijn de straffen straffer (Chodorkovski). Tijdens het communistische bewind in de voormalige USSR (zuiveringen onder Stalin) en China (de Culturele Revolutie) kwamen bureaucraten zelfs massaal op het schavot terecht als voorbeeld om ‘de anderen aan te moedigen’. Niet in het systeem was fout, maar sommige individuen (in het geval van Rusland en China zeer, zeer veel individuen). 

Komen we terug tot relatief recent onderzoek op het gebied van motivatietheorie en gedragseconomie. In een presentatie voor TED (www.ted.com) die dateert van juli 2009, houdt Dan Pink, voormalig speechschrijver van Al Gore en auteur van een aantal business bestsellers (o.a. Drive: The Surprising Truth About What Motivates Us), een pleidooi om anders na te denken over het managen van bedrijven. Hij begint zijn uiteenzetting met het zogenaamde “kaarsprobleem” dat voor het eerst naar voor werd gebracht in 1945 door de psycholoog Karl Duncker en dat aan de basis lag van een hele reeks proeven in de gedragseconomie. Het experiment gaat als volgt. De proefpersonen krijgen een brandende kaars voorgeschoteld, een lucifers en een doosje duimspijkers (zie figuur 1) en worden gevraagd de kaars aan de muur te bevestigen, maar het kaarsvet mag niet op de tafel druppen. 

small.jpg

Wat zijn de resultaten? Heel wat proefpersonen proberen tevergeefs de kaars met duimspijkers aan de muur te pinnen. Een aantal goochemerds proberen met een lucifer het was aan de zijkant te doen smelten om de kaars op die manier aan de muur te ‘plakken’. Ook dat werkt niet. Uiteindelijk, na een minuut of tien, vinden de meeste deelnemers wel de oplossing. Ze pinnen het doosje tegen de muur en zetten de kaars erin (figuur 2).

Om het probleem op te lossen, is een dosis creativiteit nodig. Je moet als het ware ‘buiten het doosje kunnen denken’. In de psychologie spreekt men in dit verband van ‘functionele fixatie’: je bent niet in staat om flexibel om te gaan met de vastgelegde omstandigheden, je bijt je vast in het toepassen van je eigen visie, ook al bereik je daarmee niet het gewenste resultaat.

CandleProblemSolution.pngSam Glucksberg, professor psychologie aan de Princeton University, New Jersey, deed hetzelfde experiment met de kaars, maar ging een stapje verder. Hij bestudeerde het effect van beloningen op de snelheid waarmee de proefpersonen het probleem konden oplossen. Daarbij ging hij als volgt te werk. Hij verdeelde de deelnemers over twee groepen. Aan de eerste groep zei hij: “Ik doe een normonderzoek en zal de tijd meten om na te gaan hoelang het gemiddeld duurt om dit probleem op te lossen.” Aan de andere groep zei hij: “Los dit probleem zo snel mogelijk op. Als je bij de eerste 25 procent bent, dan krijg je vijf dollar. Degene die de beste tijd neerzet, ontvangt 20 dollar!” Wat bleek? De tweede groep had gemiddeld 3,5 minuten langer nodig om het probleem op te lossen dan de tweede. Deze bevinding staat haaks op de gangbare gedachtegang in de bedrijfswereld. Als je wilt dat mensen beter presteren, moet je hen belonen met bonussen, commissies of andere stimuli. Het experiment met de kaars toont echter aan dat materiële prikkels die verondersteld worden de creativiteit te stimuleren, averechts werken. De beloning remt het denkproces af en blokkeert de vindingrijkheid.

Als proefpersonen echter als opdracht kregen om de kaars aan de muur te bevestigen zoals aangeduid op het schema (figuur 2), was het resultaat volledig omgekeerd. Nu won de tweede groep met vlag en wimpel! De tweede proef liet duidelijk zien dat materiële stimuli wel degelijk werken indien mensen een aantal eenvoudige regels moeten volgen en het doel duidelijk is. Het ligt juist in de aard van beloningen dat ze de focus vernauwen en de concentratie verhogen. Daarom zijn ze zo efficiënt voor het uitvoeren van ‘eenvoudige’ taken die een sterke concentratie vergen en waarbij het doel zeer duidelijk voor ogen staat. Je focust op het doel en probeert het zo snel mogelijk te bereiken. Maar om het echte probleem van de kaars op te lossen, heb je geen duidelijk doel voor ogen en mag je niet gefocust kijken. De oplossing ligt niet voor je neus, maar ergens in de periferie. Je moet rondkijken, maar de beloning vernauwt het bewustzijn en beperkt de mogelijkheid om de oplossing van probleem te zien.

Uit onderzoek naar de dynamiek tussen extrinsieke (uiterlijke) en intrinsieke (innerlijke) drijfveren, blijkt er een enorme wanverhouding te bestaan tussen de economische praktijk en de wetenschappelijke kennis, of, zoals Dan Pink het uitdrukt, tussen wat de zakenwereld doet en wat de wetenschap weet. De overheersende filosofie van het personeelsbeleid blijft tot vandaag de dag hoofdzakelijk gebaseerd op extrinsieke drijfveren. Het is de methode van de stok en de wortel. Dergelijke drijfveren waren geschikt voor veel taken in de economie van de vorige eeuw, maar blijken steeds minder effectief en zelfs contraproductief voor de complexere “kenniseconomie” van de eenentwintigste eeuw waar creativiteit een veel centralere rol speelt.

Een extreem voorbeeld is het Stachanovisme in de voormalige Sovjet-Unie. De ideale arbeider was hardwerkend en zwijgzaam. In ruil werd hij beloond met medailles, betere voeding en huisvestiging. De Stachanovist diende als voorbeeld voor de andere arbeiders die werden aangezet tot steeds betere prestaties, waardoor de arbeidsnormen steeds hoger kwamen te liggen. Natuurlijk, de mensen waar Dan Pink het over heeft, zijn niet de traditionele industriearbeiders zoals uitgebeeld in Chaplins ‘Modern Times’, maar veeleer hedendaagse technici, specialisten, kaders en managers, hoewel de factor creativiteit ook steeds belangrijker wordt bij ‘gewone’ arbeiders en bedienden. In de kernlanden van West-Europa, Noord-Amerika, Australië, maar ook in steeds meer delen van Azië, neemt het belang van creatieve en cognitieve vaardigheden onder bedienden en arbeiders toe, waarbij de grens tussen beide beroepscategorieën vervaagt. Tegelijk verhuist traditioneel bediendewerk dat gebaseerd is op routine, zoals bepaalde aspecten van boekhouding, financiële analyse, computerprogrammering… naar goedkope loonlanden in de periferie.

Laten we een ander experiment onder de loep nemen van Dan Ariely, gedragseconoom verbonden aan het MIT (Massachusetts Institute of Technology). Dan Ariely peilde bij een groep studenten aan de hand van een aantal spelletjes naar hun creativiteit, motorische vaardigheden en concentratievermogen. Hierbij voorzag hij telkens drie beloningen: een kleine, een matige en een grote. Zolang de spelletjes enkel mechanische vaardigheden vergden, bevestigde het resultaat zijn verwachting: hoe groter de prijs, hoe beter de prestatie. Maar van zodra er zelfs nog maar een rudimentaire cognitieve vaardigheid aan te pas kwam, gaf een grotere beloning aanleiding tot een slechtere prestatie. Misschien, zo redeneerde hij, kon het resultaat te maken hebben met de aard van zijn doelgroep: welstellende studenten van het IMT. Om na te gaan wat de mogelijke impact was van culture factoren, trok hij naar Madurai in het zuiden van India waar de levensstandaard beduidend lager is. Een bescheiden beloning in de VS was niet te versmaden naar Indische normen. Wat bleek? Mensen die de grootste beloning kregen aangeboden, presteerden het slechtst van allemaal. In alle negen taken die onderzocht werden leidden hogere prikkels tot slechtere prestaties.

Je kan moeilijk beweren dat dit onderzoek, gesponsord door de FED (Federal Reserve Bank) van economisten van het IMT, Carnegie Mellon en de Universiteit van Chicago kaderde in een socialistisch complot. Ook de beroemde London School of Economics (LSE) kwam trouwens tot vergelijkbare vaststellingen. In juni 2009 nam de LSE 51 studies onder de loep van ‘vergoedingen naar prestaties’ binnen bedrijven. De onderzoekers kwamen tot de conclusie dat financiële prikkels kunnen resulteren in een negatieve impact op de totale prestaties. Met andere woorden, deze wetenschappelijke bevindingen maken brandhout van de argumentatie van managers die zich beroemen op hun uniek talent om hun torenhoge bonussen te verantwoorden. Managers houden echter maar selectief rekening met de resultaten van het wetenschappelijk onderzoek van gedragseconomen omdat ze anders de ideologische tak zouden afzagen waarop ze zelf zitten.  Welke CEO zal zeggen: o, als ik afstand doe van mijn vette bonussen, zal ik beter presteren?

Maar als financiële prikkels in de bedrijfswereld niet het gewenste resultaat bewerkstelligen, hoe kunnen mensen dan wel gemotiveerd worden? Wetenschappers zijn tot de vaststelling gekomen dat zogenaamde intrinsieke of innerlijke drijfveren een veel belangrijke rol spelen. Mensen worden gedreven om dingen te doen omdat ze belangrijk zijn, omdat ze het graag doen, omdat ze interessant zijn, omdat ze deel uitmaken van iets belangrijks. Dan Pink pleit daarom voor nieuwe managementsystemen die draaien rond drie elementen: autonomie, meesterschap en doel. Met ‘autonomie’ bedoelt hij de drang om ons eigen leven te leiden, met ‘meesterschap’ de wil om alsmaar beter te worden in de dingen die ertoe doen, en met ‘doel’ ons verlangen om de dingen die we ondernemen te doen in het belang van iets dat groter is dan onszelf.

Het nieuwe managementsysteem dat de speechschrijver van de voormalige vicepresident van de Verenigde Staten voorstelt, doet meer denken aan de geschriften van Mao, Castro of Tito dan aan die van traditionele bedrijfseconomen. Of… zou het ook kunnen dat moderne theorieën over bedrijfsbeheer meer en meer in de buurt komen van de utopische socialistische modellen die Karl Marx voor ogen had?

Wordt vervolgd (In een van de volgende bijdragen wordt Wikinomics onder de loep genomen, maar eerst komen nog Dan Ariely, Daniel Kahneman en Barry Schwartz aan de beurt.)

 

 

 

 

18:45 Gepost door Jan Lievens | Permalink | Commentaren (0) |  Facebook |

De commentaren zijn gesloten.