18-04-12

Het internet als revolutionaire slokop of het einde van de journalistiek

Een kleine vijftien jaar geleden verzorgde ik een rubriek in een bedrijfsmagazine van een grote instelling, getiteld: de “nieuwe media”. Elke maand pende ik een tekst bijeen met tips over hoe bedrijven best omgingen met e-mail, websites, e-commerce. Van interactie met de klant was er toen nog maar weinig sprake. Het internet werd gezien als een extra communicatiekanaal, een elektronische versie van het papieren  bedrijfsmagazine, met wat extra’s.

Vandaag is het web volledig ingeburgerd, dus nieuw kan je het medium niet meer noemen. Maar tegelijk groeit het besef dat we te maken hebben met heel iets heel anders  dan zijn voorgangers op papier en in de ether, omdat het van de passieve informatieconsument een actieve participant maakt. Of je nu een blogger bent of een filmpje deelt op YouTube, een grap doorstuurt via e-mail of een krantenartikel aanprijst op Facebook, je “doet ten minste iets”. Mensen houden van consumeren, maar ook van creëren, participeren en delen. Het internet maakt dit mogelijk. En de meeste bedrijven, organisaties en openbare instellingen moeten er veel beter mee leren omgaan, zoals het ABVV heeft ondervonden met zijn twittercampagne #30J. Ook de klassieke marxistische analyse van de media is dringend aan een upgrade toe. Bij het schrijven van dit stukje heb ik me vooral laten inspireren door twee boeken van de Amerikaanse mediaspecialist Clay Shirky“Here Comes Everybody” en “Cognitive Surplus”.

“Manufacturing Consent”: het smeden van eensgezindheid

Karel Marx legde uit dat de heersende ideeën in elk tijdperk de ideeën van de heersende klasse zijn. De opkomende arbeidersklasse beschikte al gauw over haar eigen pers om deze dominante ideeën te bekampen. Arbeiderskranten speelden een belangrijke rol in de strijd voor democratische rechten en de verovering van politieke macht. Lenin beschouwde de Iskra (Vonk) niet enkel als een instrument voor collectieve propaganda en agitatie, maar ook als een organisator. Hij vergeleek de krant van de bolsjewieken met een stelling rond een gebouw in constructie, die de communicatie en samenwerking tussen de revolutionairen vergemakkelijkte en hen een overzicht gaf van het resultaat van hun gemeenschappelijke inspanningen. Het idee was zo krachtig dat tot vandaag de dag linkse splintergroepen hun organisatie rond dit concept proberen op te bouwen, vergetende dat er sinds Lenin het een en ander veranderd is op het vlak van communicatie.

De dagen dat de drukpers koning was in medialand zijn natuurlijk al lang voorbij. Nieuwe technologieën maakten het mogelijk om informatie veel sneller, goedkoper en massaler te verspreiden via de ether. De radio en televisie maakten een einde aan het monopolie van de gedrukte pers op de verspreiding van informatie en propaganda. In zijn beroemde boek“Manufacturing Consent” legt Noam Chomsky uit dat propaganda voor een democratie is wat geweld is voor een dictatuur. De heersende klasse kan haar hegemonie over de maatschappij niet langer opleggen op basis van brute repressie, en zoekt daarom haar toevlucht in manipulatie van de publieke opinie via de “vrije media” die ze op een subtiele manier inzet om de geesten van de mensen te beïnvloeden. Maar de media zijn natuurlijk niet vrij. Ze staan onder controle van eigenaars of politieke broodheren. De “domme massa” wordt afgeleid en beïnvloed door wat Chomsky “noodzakelijke illusies” noemt. Gedurende meer dan een halve eeuw speelde vooral de televisie een doorslaggevende rol bij het manipuleren en controleren van de publieke opinie, niet alleen door gefilterd nieuws te brengen, maar ook door een stortvloed van feuilletons die vooral het leven van de rijkere middenklasse weerspiegelt en amusementsprogramma’s die consumptie en materialisme verheerlijken. Versla de concurrentie en win de grote prijs, het summum van geluk!

Het economisch model van de traditionele media is gebaseerd op schaarste en eenrichtingsverkeer. Het kost handenvol geld om een krant uit te brengen of een tv-station te runnen. De informatie stroomt in één richting: van de redactie naar de lezer, kijker of luisteraar. De (hoofd)redacteuren worden geselecteerd door de eigenaars of –in het geval van een openbare omroep- een raad van bestuur die politiek is samengesteld. Zij bemoeien zich meestal niet met wat gepubliceerd of uitgezonden wordt, waardoor de redactie een gevoel van relatieve autonomie heeft bij het selecteren van het nieuws, de manier waarop en de volgorde waarin het gebracht wordt. Dat de media zouden gecontroleerd worden door “de heersende klasse” vinden ze larie en apekool. Ze schrijven en publiceren immers wat ze denken, ook al schoppen ze daarbij soms tegen zere schenen. Waar ze minder bij stilstaan (tot ze op het matje worden geroepen door hun broodheren), is dat ze zitten waar ze zitten omdat ze denken wat ze denken. Mensen met een radicaal andere visie, de dissidenten, krijgen geen job als hoofdredacteur en komen maar zelden aan het woord in de pers. Dat betekent niet dat er geen kritische stukjes verschijnen in commerciële kranten of dat dissidenten altijd doodgezwegen worden. Op 21 februari was Peter Mertens nog te zien in Terzake om zijn mening te geven over de Griekse crisis. Het systeem is immers sterk genoeg om ook andersdenkenden af en toe een spreekbuis te geven. Maar iedere journalist weet dat niet alles wat hij schrijft of filmt ook gedrukt of uitgezonden wordt.

Van “couch potato” tot creatieve betrokkenheid

Een van de belangrijkste verwezenlijkingen van de arbeidersbeweging was de inperking van de werktijd: de vijfdagenweek, de achturendag, de 40- (of 38-)urenweek. De vuistregel hierbij was: een derde werken, een derde slapen en een derde vrije tijd.  Natuurlijk is dat laatste zeer relatief. Een grote hap uit die “vrije” acht uur gaat in rook op in de file, huishoudelijke taken en zelfs werken voor de baas. De homecomputer, de opmars van smartphones en de nood aan permanente vorming knabbelen immers meer en meer de grens weg tussen werk en vrije tijd . Wat nog overschiet, brengen we vooral door als zombies voor de buis. Wereldwijd kijken mensen gemiddeld 22 uur tv per week, het equivalent van een parttimebaan. Tv-kijken is daarmee de belangrijkste menselijke activiteit na werken en slapen. Het heeft traditionele sociale activiteiten in de hoek gedrukt en het Gouden Kalf van het consumentisme tot nieuwe God gemaakt.

Kapitalistische ontwikkeling ging hand in hand met urbanisatie en de ontwikkeling van voorsteden die bijdroegen tot het verwateren van traditionele sociale en familiale banden. Meer en meer echter beginnen de sociale media, in volledige overeenstemming met de wet van de dialectiek, het sociale weefsel te herstellen. De term “cyberspace” om het internet te beschrijven als een virtueel universum klinkt vandaag hopeloos dépassé. Vandaag stelt het internet mensen in staat nieuwe sociale banden te smeden in de reële wereld, onder andere in de vorm van de opkomende deeleconomie. Het kapitalisme heeft ons dermate van elkaar vervreemd, dat we dit fenomeen bedachten met een nieuwe term: “participatieve cultuur”, waarmee we zeer oude en elementaire menselijke behoeften aanduiden zoals geborgenheid en de drang om te delen en te creëren.

De meest vatbare groep voor verandering zijn natuurlijk de jongeren. Hun brein is niet gekneed door ervaringen met de traditionele media. Voor het eerst kijken ze in grote getale minder tv dan hun ouders. Ze keren media die enkel consumptie toelaten meer en meer de rug toe. Ze vinden hun informatie en amusement ook op het internet, waar ze bovendien actief kunnen participeren. Die behoefte hebben mensen altijd gehad, alleen konden de traditionele media die niet bevredigen. Je kon hooguit een lezersbrief sturen naar de krant, een plaat aanvragen op de radio of deelnemen aan een tv-spelletje via een ‘gele briefkaart’.

Het nieuwe ecosysteem van het internet laat mensen bovendien toe om gezamenlijk waarde te creëren in hun vrije tijd. Een klassiek voorbeeld is natuurlijk Wikipedia, maar ook Flickr, YouTube en Facebook zijn gigantische informatieclusters, bijeengeharkt door miljoenen gebruikers. Clay Shirky beschouwt de vrije tijd van de geletterde massa als een “cognitief overschot”. In 2010 vertegenwoordigde Wikipedia ongeveer honderd miljoen uren denkwerk. Dit is peanuts in vergelijking met de twee miljard uur die Amerikanen jaarlijks voor het scherm doorbrengen. Maar zelfs die kleine fractie is voldoende om een superieur businessmodel in het leven te roepen dat bovendien niet functioneert volgens het winstprincipe.

Een nieuw ecosysteem

Om de huidige communicatierevolutie te begrijpen, moeten we onze oude denkpatronen over de media van ons afgooien. Om te beginnen is het internet zelf geen uitvinding met vooraf bedachte doestellingen, maar een platform waarop allerhande nieuwe fenomenen organisch begonnen te groeien, vaak volgens anarchistische principes. Tien jaar geleden waren Google (1998), Wikipedia (2001), Facebook (2004 – in België pas sinds 2008) en YouTube (2005) nog onbekend of onbestaand. Vandaag zijn het wereldwijd ijzersterke “merken” en (potentiële) miljardenondernemingen. De beursgang van Facebook wordt geschat op 100 miljard dollar! Vooral de sociale aanwending van de nieuwe media-instrumenten was voor iedereen een verrassing, gedeeltelijk omdat de mogelijkheid van dergelijk gebruik er niet impliciet in vervat zat. Bovendien dagen ze niet alleen traditionele media uit, maar ook de autoriteiten omdat ze het nieuws verslaan terwijl het zich voordoet: van natuurlijk geweld veroorzaakt door aardbevingen en vloedgolven tot politiek geweld veroorzaakt door repressieve en militaire regimes.

Op het internet kan immers iedereen bijdragen tot de verslaggeving van het nieuws. Vandaag zijn er wereldwijd 1,2 miljard smartphones in omloop. Vorig jaar alleen al werden er 488 miljoen stuks van verkocht, een toename met één derde! De kans dat je getuige bent van een of andere ramp of gewelddaad blijft klein, maar de kans dat er een of andere ramp of gewelddaad plaatsvindt zonder dat er iemand in de buurt is met een smartphone slinkt met de dag. Dankzij Twitter en andere sociale netwerken wordt het nieuws verslagen door gewone burgers terwijl het zich afspeelt! Daardoor wordt het voor autoriteiten ook alsmaar moeilijker om gebeurtenissen dood te zwijgen.

Om maar één voorbeeld te geven: Ushahidi (Swahili voor getuige of getuigenis) werd opgericht om burgers te helpen bij het rapporteren van uitbarstingen van etnisch geweld in Kenia die uitbraken na de betwiste uitslag van de presidentsverkiezingen in december 2007. Deze werden niet verslaan in de traditionele media en ook de regering was niet van plan ze te rapporteren. Ushahidi groeide uit de blog ‘Mzalendo’ van activiste Ory Okolloh, die met behulp van techneuten een platform in het leven riep waarop iedereen via een telefoon of pc etnisch geweld kon rapporteren. De website weefde op die manier versnipperde lokale informatie samen tot een collectief overzicht en turnde individuele kennis van verspreide getuigen om tot een collectief bewustzijn van wat er gaande was op nationale schaal. Nadien versloeg Ushahidi ook gewelddaden in de Democratische Republiek Congo, trad ze op als waakhond tegen verkiezingsfraude in India en Mexico, hield een inventaris bij van vitale medicijnen in verschillende Oost Afrikaanse landen en hielp bij het opsporen van gewonden na de aardbevingen in Haïti en Chili.

Maar als je nu via Twitter een foto van een bomaanslag in een Londens metrostation doorstuurt, of je plaatst een “lolkat’ met zelfbedachte ondertitel op je prikbord van Facebook, je participeert in iets dat groter is dan jezelf. Hoe triviaal je bijdrage ook is, je daad is kwalitatief verschillend van passief tv-kijken. Dat wil niet zeggen dat we nu geen kranten meer lezen of niet meer naar het Eén journaal of de Pappenheimers kijken, wel dat consumptie niet langer de enige manier is waarop we media gebruiken. Clay Shirky beweert dat het cognitief overschot in de wereld zo groot is dat zelfs minimale veranderingen in het individuele gedrag allemaal bijeengeteld tot zeer grote veranderingen kunnen leiden. Slechts één procent van het triljoen uur dat we met zijn allen tv kijken, is het equivalent van honderd Wikipedia’s per jaar. Hier gluurt de Hegeliaanse wet van de overgang van kwantiteit naar kwaliteit om de hoek.

Maar dat is niet alles. Het web laat ook groepsvorming en coördinatie van levende gebeurtenissen toe. De nieuwe technologie stelt mensen met gemeenschappelijke interesses in staat om zonder noemenswaardige kosten en inspanningen groepen te vormen. Een voorbeeld is de website Meetup. Een van de meest succesvolle groepen die dankzij dit initiatief het licht zag, is die van Amerikaanse thuisblijvende moeders die wegkwijnden in suburbia. Dankzij “Moms meetup-groepen” organiseren ze overal te lande activiteiten waardoor ze hun sociaal isolement doorbreken.

Het web leidt tot een enorme toename van ons vermogen om te delen, samen te werken en gezamenlijke acties te ondernemen, buiten het raamwerk van traditionele instellingen en organisaties. Het maakt zelforganisatie van groepen mogelijk en stelt individuen in de gelegenheid om bij te dragen tot een groepsinspanning zonder de tussenkomst van een manager of de noodzaak van een formele leiding. Deze technologische doorbraak verbrijzelt de oude grenzen van de omvang en complexiteit van organisaties en maakt indrukwekkende resultaten van groepswerk mogelijk zonder traditioneel toezicht of controle van private en publieke instellingen en zonder winstmotief.

De toekomst (of het einde) van de journalistiek

Iedereen kan met behulp van een pc, webcam en internetverbinding zo goed als gratis een eigen tv-station opstarten. Je hoeft niet eens over een technische knobbel te beschikken. Tegenwoordig is het maken van een blog of vlog en het invoegen van (gratis) apps zo goed als kinderspel. Websites als Scoop.it geven je de mogelijkheid om muurkranten samen te stellen met artikels en filmpjes die jij interessant vindt en wil delen met de wereld. Dankzij Scoop.it kan iedereen hoofdredacteur spelen. Daarnaast kan iedereen zijn mening spuien op allerhande internetfora, online reageren op krantenartikelen, commentaar plaatsen op het prikbord van zijn facebookvrienden, reiservaringen delen, restaurantcriticus spelen, enzovoort. Je kan je foto’s delen met de hele wereld op Flickr, je video’s op YouTube en je berichten op Twitter. De mogelijkheden voor zelfexpressie zijn nooit groter geweest. De overgrote meerderheid van wat op het internet wordt gegooid, mag dan rotzooi zijn of enkel bedoeld voor een kleine vriendenkring (of beide), binnen deze oceaan vol rommel komt kwaliteit vroeg of laat toch bovendrijven. Het internet slokt zienderogen alle andere mediakanalen op en zal waarschijnlijk uitgroeien tot een uniek platform waar niet alleen de grens tussen amateurs en professionals vervaagt, maar ook tussen privé- en groepscommunicatie.

Sceptici vinden deze hypothese erg overdreven. Mensen kijken nog altijd ‘en masse’ naar soaps, lezen pulpblaadjes bij de vleet en laten zich manipuleren door geselecteerd nieuws. Het is waar dat er heel wat interessante informatie op het internet te vinden is, maar wat ben je daarmee als je niet weet wat je moet zoeken? Deze kritiek is vandaag terecht, maar ze vertrekt vanuit een redenering die gevormd is door onze ervaringen met de klassieke media. Het cruciale verschil is dat deze geregeerd worden door schaarste, terwijl op het internet overvloed koning is. We spelen een nieuw spel waarop de oude spelregels geen vat hebben. We praten bovendien over een overdracht van informatie in de vorm van bits en bytes die eindeloos en kosteloos kopieerbaar is zonder aan kwaliteit in te boeten. Elke kopie is identiek aan het origineel! Het internet heeft geen nood aan papier om woorden, cd’s om muziek en dvd’s om beelden te verspreiden. Dat kan allemaal gratis (behalve de originele productie natuurlijk). Vandaar de niet aflatende strijd tegen piraterij en de voortdurende pogingen van mediabedrijven, de amusementsindustrie en de overheden om vat te krijgen op wat er op het internet verschijnt.

Omdat gratis zit ingebakken in het nieuwe medium, ondermijnt het de businessmodellen van de klassieke media, en bij uitbreiding van alle bedrijven. De muziekindustrie was de eerste die het begaf, de gedrukte pers en commerciële omroepen die teren op advertenties volgen. Ook hier maakt technologie de oude businessmodellen onhoudbaar op termijn. Dankzij digitale tv bekijk je programma’s wanneer je wilt, al is het met tien minuten vertraging om de reclame te kunnen overslaan. Tv-advertenties, de levenslijn van commerciële zenders, dreigen daarom hun impact te verliezen. De creatieve jongens van de marketing hebben er niets beters op gevonden dan hun advertenties te verhuizen naar het internet, waar ze echter een omgekeerd effect hebben. Iedereen die eerst een reclamespot moet uitzitten vooraleer hij zijn favoriet filmpje wil bekijken op YouTube weet wat ik bedoel. Reclame op tv kan nog plezant zijn, op het internet is het een arrogante aanslag op je vrijheid. Reclame wordt dan ook subtieler, de manipulatie geraffineerder, van productplacement in films tot one-to-one marketing dankzij Google en de collectieve Big Brother Facebook die ons leven doorverkoopt aan big business.

Maar het oude businessmodel wankelt omdat het web geen nieuwe concurrent introduceert in het oude ecosysteem, maar een compleet nieuw ecosysteem creëert. Klassieke media kunnen op termijn slechts overleven door schaarste te handhaven. De productie-, reproductie- en verdelingskosten zijn dankzij de nieuwe technologie zo dramatisch gedaald, dat de heersende elite en de mediaprofessionals hun greep op de media dreigen te verliezen. Dat betekent dat ook het strijdtoneel voor de controle over de publieke opinie, Chomsky’s fabricatie van eensgezindheid, aan het verschuiven is naar het internet waar volgens Shirky een massale ‘amateurisatie van publicatie’ aan de gang is, en een verschuiving van “waarom iets publiceren?” (het is immers duur) naar “waarom niet?” (het is immers gratis). Het filteren vindt achteraf plaats. En dat vertegenwoordigt een revolutie. Net zoals de boekdrukkunst het beroep van schriftgeleerde overbodig maakte, begint het internet het beroep van journalist te ondermijnen. De protestantse Reformatie werd niet veroorzaakt door de uitvinding van het letterzetten en de drukpers, maar werd wel pas daarna mogelijk. In marxistische termen kan je stellen dat technologie op zich geen sociale verandering veroorzaakt, maar sociale verandering pas mogelijk wordt wanneer de materiële omstandigheden, waaronder de technologie, voorhanden is. De sociale gevolgen hinken soms decennialang achterop. Of zoals Clay Shirky het stelt: “Revolutie is vaak een lang uitgerekt en chaotisch proces gedurende hetwelk de oude systemen aftakelen en kapotgaan, lang voordat de nieuwe zich gestabiliseerd hebben.” In die zin kun je stellen dat de revolutie al decennialang bezig is en krijgt Trotsky met zijn idee van de permanente revolutie toch nog gelijk.

Maar laten we terugkeren naar de kwestie van de professionele journalistiek. Don Tapscott, coauteur van Wikinomics, beweert dat het klassieke businessmodel van kranten in elkaar stort omdat alle elementen waarop het succes ervan gebaseerd is (een professionele ploeg produceert nieuws tegen betaling en genereert inkomsten via advertenties) ondermijnd worden. De moderne “nieuwsconsument’ denkt niet meer zoals vroeger. Hij denkt: “als het nieuws belangrijk is, zal het mij wel vinden”. Voor Tapscott is de toekomst aan de blogger. Veel mensen zien bloggers nog altijd als excentrieke en egocentrische egotrippers die karrenvrachten onzin verspreiden, en dat is gedeeltelijk ook juist. Maar in de VS schrijven al 28% van de bloggers uit commerciële overwegingen en de helft daarvan kan leven van zijn blog, hoofdzakelijk via reclame-inkomsten. Van die groep heeft 80% een universitair diploma en de meesten zijn voormalige journalisten. Het gevolg is dat 15% van de blogosfeer wel degelijk van redelijke tot zeer hoogstaande kwaliteit is. De grens tussen journalist en blogger vervaagt, temeer omdat veel journalisten ook bloggers zijn. Maar wat is een journalist?

Volgens Van Daele is een journalist "een redacteur of verslaggever die werkt voor de pers of een omroep". De Oxford Dictionary geeft een gelijkaardige definitie: “een persoon die schrijft voor kranten of tijdschriften of nieuws voorbereidt dat wordt uitgezonden op de radio of televisie”. Met andere woorden, je bent pas een journalist als je werkt voor een uitgever, en een uitgever is pas een uitgever als hij eigenaar is van de vereiste infrastructuur. Deze definitie is dus niet van toepassing op burgerjournalisten en bloggers. Daarom ben je met een perskaart van De Wereld Morgen op zak geen echte journalist. Burgerjournalisten worden niet op dezelfde manier beschermd als professionals en genieten ook niet dezelfde voordelen (bijvoorbeeld goedkoop reizen met het openbaar vervoer).

Tegenwoordig kan echter om het even wie om het even wanneer om het even wat publiceren op het web, en van zodra het gepubliceerd is, is het wereldwijd beschikbaar en vindbaar, onder andere dankzij tagging. Maar als iedereen kan publiceren, dan kan iedereen journalist zijn, en als iedereen journalist kan zijn, dan verliezen journalistieke privileges hun maatschappelijk bestaansrecht. Deze privileges zijn immers gebaseerd op publicatieschaarste, maar wat als die schaarste verdwijnt? Net zoals de drukpers de macht van de schriftgeleerden ondergroef en bij uitbreiding het monopolie van de Katholieke Kerk, is het web niet alleen een bedreiging voor de traditionele media, maar ook voor heel wat kapitalistische instellingen. Vandaar dat het  internet uitgroeit tot een strijdtoneel waar een belangengevecht plaatsvindt tussen degenen die de grootst mogelijke vrijheid van informatieoverdracht voorstaan, en degenen die hun belangen daardoor bedreigd zien. SOPA en PIPA hebben voorlopig het onderspit moeten delven, en ook tegen ACTA groeit de weerstand, maar je kan er donder op zeggen dat het laatste woord daarover nog lang niet gezegd is.

Commerciële belangen en de bescherming van het intellectueel eigendomsrecht (copyrights, patenten) zijn niet de enige redenen waarom overheden onder druk van zakenbelangen de vrijheid op het internet meer aan banden proberen te leggen (er zijn natuurlijk al tal van beperkingen in voege ter bestrijding van terrorisme, georganiseerde criminaliteit, kinderporno etc., maar eens in voege kunnen deze middelen ook tegen andere internetvrijheden worden ingezet). Voorbeelden van succesvolle politieke acties ten gevolge van het gebruik van de sociale media zijn legio, met de Arabische lente als meest spectaculaire voorbeeld. Sociale media maken het immers mogelijk om voordien ongecoördineerde activisten razendsnel te verzamelen voor een protestmanifestatie die de overheid niet op voorhand kan verbieden en evenmin in de kiem kan smoren zonder dat dit rechtstreeks wordt gerapporteerd aan de hele wereld.

Revolutie en co-evolutie

Volgens Clay Shirky worden communicatiemiddelen pas sociaal interessant als ze technologisch vervelend worden. Nieuwe technologie veroorzaakt geen fundamentele verandering zolang ze niet volledig is ingeburgerd. Pas wanneer technologie normaal, vervolgens alomtegenwoordig  en tenslotte onzichtbaar is, vinden diepgaande veranderingen plaats. Voor jonge mensen zijn de sociale media al normaal, steeds meer alomtegenwoordig en het stadium van onzichtbaarheid is niet ver meer af. Nooit in de geschiedenis van de mensheid waren de individuele mogelijkheden om zich uit te drukken zo groot.  Meer mensen kunnen meer informatie meedelen aan meer mensen dan ooit tevoren. Bovendien zijn de omvang en snelheid van deze verandering, van een miljoen naar een miljard deelnemers in slechts één generatie, ongeëvenaard, ook in vergelijking met de vorige communicatierevoluties. De drukpers, de telegraaf en telefoon, registratie van beeld en geluid, radio en tv vertegenwoordigden telkens een breuk met het verleden. Elke radicale verandering in ons communicatievermogen verandert immers de maatschappij. Het kenmerk van elke revolutie is dat de doelstelling van de revolutionairen niet kunnen gerealiseerd worden binnen het bestaande institutioneel kader. Het gevolg is dat ofwel de revolutionairen worden neergeslagen, of dat de instellingen zich moeten aanpassen, zo niet worden ze vernietigd en vervangen.

De mediabedrijven zijn zich aan het herstructureren. Hun problemen zijn echter niet uniek, maar profetisch. Alle bedrijven zijn in zekere zin immers mediabedrijven, want ze moeten allemaal informatie beheren voor twee groepen toehoorders: hun werknemers en de buitenwereld. Interne en externe communicatie, intranet en internet. De toename van de macht van zowel individuen als groepen buiten de traditionele organisatiestructuren is ongeëvenaard. Veel instellingen waar we vandaag op steunen zullen deze verandering niet overleven zonder zich op een grondige manier aan te passen, en hoe meer een instelling of een bedrijfstak afhankelijk is van informatie als hoofdproduct, hoe groter en complexer die verandering zal zijn.       

Tot slot stelt het internet mensen niet alleen in staat om de overheid en bedrijven te omzeilen door problemen rechtstreeks aan te pakken, ook politieke organisaties en vakbonden zullen zich moeten aanpassen. We zien dat tot op zekere hoogte vandaag gebeuren met Occupy, maar dat is stof voor een ander artikel. 

20:05 Gepost door Jan Lievens | Permalink | Commentaren (0) |  Facebook |

De commentaren zijn gesloten.